Historie van de Oldijk - Ezinge

22 oktober 1938 – 1954 Sietse van Dijk en Freerkje Zuidema

Eigenaar van ’t Veloatje is in deze episode Siebe Oosterbeek (zie vorige episode).

Nadat de familie Hummel van ’t Veloatje was vertrokken verhuurde eigenaar Siebe Oosterbeek het huis aan Sietse van Dijk en Freerkje Zuidema. Sietse van Dijk en Freerkje Zuidema verhuizen op 22 oktober 1938 van Saaksum naar ’t Veloatje. Sietse van Dijk is geboren op 2 september 1911 op Torenstraat 40 in Ezinge (huidige woning van Joke Buist), zoon van Gerrit van Dijk en Boelina van der Lei.


Boelina van der Lei (coll. fam. Homan)


Gerrit van Dijk (coll. fam. Homan)

Freerkje Zuidema is geboren op 17 januari 1917 in Kollumerland en Nieuwkruisland, dochter van Freerk Zuidema en Trientje Zijlstra.


Freerk Zuidema en Trientje Zijlstra (coll. fam. Homan)


Freerk Zuidema en Trientje Zijlstra (coll. fam. Homan)

Sietse van Dijk en Freerkje Zuidema zijn getrouwd op 28 mei 1938


Freerkje Zuidema en Sietse van Dijk

Toen het echtpaar naar ‘’t Veloatje verhuisde was Freerkje zwanger van hun eerste kind. Ze krijgen op ’t Veloatje vijf kinderen:

Hun laatste kind werd in Groningen geboren:

Er werd ook nog een kindje levenloos geboren. Dit jongetje is op ’t Veloatje begraven.

Freerkje Zuidema is op 19 november 1992 overleden in het ziekenhuis in Groningen; Sietse van Dijk is op 3 januari 1998 overleden, eveneens in het ziekenhuis in Groningen.

Via Sjoerd van Dijk van café de Brug kwamen we in contact met Boelie (Homan-) van Dijk, de oudste dochter van Sietse en Freerkje.


Roelie Homan-van Dijk in haar huis in Aduard (foto 2011)

Boelie heeft 15 jaar op ’t Veloatje gewoond en wist zich nog veel te herinneren van haar jeugd en het leven op ’t Veloatje. Hieronder volgt haar verhaal.

Er liep een pad van de van Swinderenweg naar de achterdeur. (Dat is ongeveer op de plek, waar tegenwoordig ook de achterdeur zit). Het pad liep verder langs de zijkant van het huis richting de Oldijk. Als je via de achterdeur het huis binnen ging kwam je in een gang. Links was het washok. Hier bevond zich de enige waterkraan van het huis. In deze wasruimte werd de was uitgekookt op een vierpits petroleumstel. Vervolgens werd de was met de hand schoongeboend, eventueel met een borstel en een houten plank, waar het vuile kledingstuk op werd gelegd. Daarna werd de was nog uitgewrongen met de hand. Het afvalwater werd door een gat in de muur (aan de kant waar nu de werft ligt) naar buiten gegooid. Het gat zat op vloerhoogte en was altijd open. Het was daar dan ook akelig koud in de winter. Om de was te drogen was er een lange waslijn gespannen op een strook grasland langs de van Swinderenweg, tussen de sloot en de toenmalige groentetuin. Er werd alle dagen gewassen.

In Ezinge werd (tegelijk met Saaksum en Oldehove) op 4 mei 1936 de eerste waterleiding officieel in gebruik genomen. In het buitengebied, zoals de Oldijk, kwam pas omstreeks 1968 een waterleiding.

Het kanaal kon zo ontzettend stinken, dat de was weer binnen gehaald moest worden. Die stank werd veroorzaakt door het feit, dat de melkfabriek in die tijd op het kanaal loosde, waardoor er vaak hele brokken melkafvalproducten in het kanaal dreven.

Later werd er ook gekookt in het washok op een petroleumstel. Er waren toentertijd één - , twee - , drie – en vierpits petroleumstellen in de handel. Familie van Dijk kookte eerder op de kachel, die in de keuken stond (de huidige huiskamer) (zie verder bij het verhaal over de keuken).


Voorbeeld tweepits petroleumstel

De petroleum werd in het dorp gehaald en in blikken vervoerd.

Rechtdoor was de w.c. Het was een bruine houten w.c. met een emmer. Deze emmer werd altijd geleegd bij de rabarberplant. Deze stond er goed bij.

Mevrouw Homan vertelde, dat ze vroeger dol was op rabarber, maar ze zou er nu niet meer aan moeten denken om die rabarber op te eten!


Voorbeeld emmer WC

Toen Boelie een klein meisje was, had haar vader net zo’n w.c. gemaakt voor haar, maar dan in het klein. Deze stond op de achterdeel. Al het papier, waar het gezin over beschikte, werd in stukken geknipt en aan een spijker opgehangen als w.c.-papier.

In het dorp kwam één keer per week de mestkar van de gemeente langs om de w.c.-emmers te legen, die langs de weg werden gezet. Tussen 1954 en 1960 werd in het dorp riolering aangelegd.

Links tussen het washok en de w.c. zat de deur naar de stalruimte. De gang ging rechtsaf verder en liep helemaal door tot aan de voordeur aan de Van Swinderenweg. Direct rechts in de gang was de melkenkamer. Daar stonden de melkbussen en de weck werd hier bewaard. De vloer van de melkenkamer en die van de achterdeel werden elke zaterdag geschrobd met wit zand en water. De vloeren waren dan prachtig schoon!
Het zand werd elke zaterdagochtend gekocht en opgehaald in het dorp bij schilder van Dijk. Het zand ging in een ijzeren rond maatvat, dat een spient werd genoemd (een spient is een inhoudsmaat). Het maatvat werd tot de rand toe gevuld en dan afgestreken.

Verder de gang in. Via een opstapje kwam je in het gangdeel van het woongedeelte. (Dit opstapje zit er nu nog steeds, omdat het achterste deel van het huis lager ligt dan het voorste deel van het huis.). Mevrouw Homan kan zich niet herinneren, dat er een mogelijkheid was om boven het woongedeelte op zolder te komen.

Vanaf het opstapje zat rechts de deur naar de keuken. De keuken was de leefruimte van het huis. De keuken bevond zich in die tijd op de plek, waar nu het zitgedeelte van de huidige woonkamer is. De afmetingen waren toen ongeveer 5.65 x 2.90 meter. Van de lengte van 5.65 meter gaat wat betreft de toenmalige leefruimte nog eens de breedte van de bedstede en inloopkast af! Aan de kant van de van Swinderenweg was het raam veel kleiner dan nu en aan de kant van de melkfabriek zat maar één klein raampje (zie vorige episode). Verder waren er geen ramen. Het moet een donkere, vrij kleine ruimte zijn geweest. Mevrouw Homan bevestigde dat: “Het was klein en armoedig”. Er leefden acht mensen in deze ruimte! Er was een bedstee, waar vader en moeder in sliepen. Daarnaast was een inloopkast, waar de voorraden werden bewaard. In deze kast zat een heel klein raampje, om te kunnen luchten. Op de vloer lag zeil. In het midden, waar de tafel stond, lag een “chinamat”, een gevlochten biezen mat. Hierin was met kleuren een patroon gemaakt. Er zat behang op de muren en er waren balken plafonds.

Er stond een kookfornuis met drie kookpitten. Twee pitten vóór en één pit achter. In de gaten zaten deksels met drie ringen. Hoe groter de pan, hoe meer ringen er werden uitgehaald.

Later werd er in het washok gekookt en kwam er een ‘hekje’ kachel in de keuken, in die tijd de “mooie” kachel. Het was een hoge kachel met een mooi versierd hekje, dat eerst geopend moest worden om bij het vuur en de asla te kunnen komen. Deze kachel had één kookgat. Over dit kookgat zat een mooie bolle deksel met een mooie chromen knop.


Voorbeeld hekjekachel


Een waterketel uit die tijd. De zwarte onderkant van deze ketel, die hier aan vastzit, werd in het ronde gat van de (kook-)kachel geplaatst en zo werd het water gekookt.

Toen Boelie zo’n 12 jaar was zat ze eens op een koude winteravond met haar zussen rond deze hekjekachel. Ze hadden hun pyjama al aan en warmden zich nog even op, voordat ze zouden gaan slapen. Op de kachel stond een pan hete melk. Door een verkeerde beweging van haar zus viel de melkpan en ging de hete melk over de schouder van Boelie heen. Dokter van de Stoel uit Oldehove werd er bij gehaald. Mien ten Have, een dochter van de directeur van de melkfabriek, hielp dagelijks met het verbinden van de brandwonden. “Dit waren hele lieve mensen, die veel steun gaven.” (Mevrouw Homan bedoelde hier de familie ten Have).

Het was vaak koud op de vlakte, de wind blies door het huis. (Het huis had een halfsteens buitenmuur, het dakbeschot bestond uit kippengaas en asfaltpapier en er was natuurlijk alleen nog maar enkel glas.)


‘t Veloatje in de jaren ‘30 (coll. fam Oosterhoff)

Er waren stoofjes, om de voeten op te warmen. In een stoofje zat een bakje van klei (een test), waar een gloeiend kooltje of iets dergelijks in werd gelegd.


een voetenstoof

De kachel werd gestookt met allerlei soorten brandstof. Wat maar voor handen was werd gebruikt: lange turf (deze was zacht), bachels (vierkanten, keiharde plakken turf, van 10 x 10 x 5 cm), eierkolen, cokes en schinzen ( takkenbossen). Turf en andere brandstof haalden ze bij Doornbos in het dorp. Een neef van “pa” van Dijk handelde in schinzen. Die kwam hij dan brengen in een grote kar met een paard ervoor. Boelie weet nog, dat ze zelf hout moest sprokkelen om de kachel mee op te stoken, zodat er kon worden gekookt. (De (tweede) man van mevrouw Homan vertelt, dat deze schinzen bij hem thuis op de boerderij ook onder de hooibult kwamen, om het hooi droog te houden).

De keuken werd verlicht door een petroleumlamp. Door middel van gewichtjes kon deze naar beneden getrokken worden. Zo kon je de lamp aansteken en de petroleum bijvullen en daarna weer omhoog duwen. De lamp was een bakje, waar de petroleum in zat, met een glas erop.


Voorbeeld hangende petroleumlamp (coll. onbekend)

In de hoek, tussen de ramen, zat een plank aan de muur, waar de distributieradio op stond met daarnaast een bakelieten knop. Deze radio was door middel van een draad verbonden met het postkantoor ‘Diekema’ (Willem Dijkema, Torenstraat 13, afgebrand in 2011) tevens kruidenierswinkel. Dijkema bepaalde welke muziek er geluisterd werd. Er kon slechts één zender doorgeplugd worden. Iedereen luisterde dus naar dezelfde zender.


Een distributieradio met schakelaar (foto rijksdienst voor het cultureel erfgoed)

Er stond alleen een hoge tafel met stoelen in de keuken. Aan de andere kant van de gang, links, was de deur naar de “op”-kamer, waar de visite werd ontvangen. In die kamer zat een schouw waar wat spullen op konden worden gezet. Daarboven hing een grote spiegel, met zo’n brede houten rand er omheen. Hier stond een hekjekachel.

Net als in de keuken was hier een hoge tafel met stoelen er omheen. Als je deze kamer binnenkwam had je links eerst een inloopkast, waarin een kinderledikantje stond. Daarnaast was de schotelkast, gevolgd door een bedstede.
De familie kende armoede en er was geen geld voor een matras. Er lag een dikke laag stro in de bedstede met een laken er over heen. Het lag heerlijk! Ze sliepen met zijn vieren overdwars in de bedstee, “lepeltje, lepeltje”, met de knieën hoog opgetrokken.

Mevrouw Homan weet nog goed, dat het ‘krapje’ (een soort houten schuifje) van de bedstee dicht werd gedaan, wanneer vader en moeder ’s avonds op stap gingen. Boelie had dan een haarspeld verstopt in de bedstede, waarmee ze het schuifje weg kon duwen. Dan keek ze in de grote spiegel, ‘welke kant pa en moe op gingen’, richting Ezinge of richting Saaksum. Ze kreeg het krabje er natuurlijk niet meer op….
De ruimte onder de bedstede werd gebruikt als ‘kelder’ voor de opslag van aardappelen en dergelijke.


Schets van de plattegrond van ’t Veloatje van toen, getekend door Boelie (2011)

Er was armoede en er moest hard worden gewerkt. Vader was een “losse” arbeider/dagloner en werkte bij een boer. Als daar ’s winters te weinig werk was ging hij ‘over Daip’ (aan de andere kant van het Reitdiep) ‘vlasriebeln’ (vlas van het land “trekken”en bundelen). Hij ging hier op de fiets heen en soms bleef hij daar overnachten.

Mevrouw Homan droeg altijd tweedehands kleren, die ze van familie en kennissen kreeg.


De oude voordeur van ’t Veloatje aan de kant van de Van Swinderenweg, met hiervoor de drie “dochters van Dijk” ,in het midden Boelie (coll. fam. Homan)

Eten was er wel altijd voldoende. Vader had een hele grote groentetuin (langs de van Swinderenweg), waar hij van alles op verbouwde, ook tomaten en tabaksplanten. De aardappelen werden op het land ingekuild.

Inkuilen:
er werd een ondiepe kuil gegraven. Daar werden de aardappelen in gelegd. Rondom werd riet gestoken. Het riet werd over de aardappelen gevouwen en afgedekt met modder/ aarde.

De groenten werden geweckt en opgeslagen in de melkenkamer. De “mous” (boerenkool) werd gedroogd bij de bakker. Van de boerenkool werden eerst kleine stukjes gemaakt en op de oven bij bakker Keizer in Ezinge gelegd. Als het gedroogd was kon het heel lang bewaard worden. Dit werd ook gedaan met de appels en peren, die geschild werden. Daarna werd het klokhuis verwijderd en werd het fruit in plakjes gesneden. Terwijl het brood gebakken werd, droogden de groenten en het fruit. Elke herfst werd er een varken geslacht. Deze werd al lopend naar slagerij Knipper in het dorp gebracht (Hindrik Knipper, Nieuwe Peperweg 4). Mevrouw Homan ziet de ‘swienekop’ nog in een grote pan op het vuur staan, daar werd zure zult van gemaakt. De ‘schenken’ (rookspek) werden in een kussensloop gestopt en in de keuken bij de kachel gedroogd. Soms sneed pa een reepje van het rookspek af en hoopten de kinderen, dat ze ook een stukje zouden krijgen…… Vlees werd ook in weckpotten bewaard. Ook hielden ze kippen voor de eieren en voor de slacht.

Vaak werd er aardappelen met mosterd gegeten. Aan het kookwater van de aardappelen werd dan mosterd en meel toegevoegd. Grauwe erwten werden gebrand en gemalen. Daar werd koffie van gezet.

Uit school kregen ze thee en brood met boter en een rauwe plak koolraap.


Boelie van Dijk bij de Ezinger brug (coll. fam. Homan)

Vader had ook vier of vijf koeien. De melk werd naar de melkfabriek gebracht. In de melkfabriek werd ook zoete brei (karnemelkse pap) gemaakt.

’s Morgens, als mevrouw Homan naar school ging, nam zij een emmertje met geld mee en leverde dit af bij de melkfabriek.
Tussen de middag haalde ze dan de zoete brei op. Boelie ziet haar moeder nog langs de weg staan gebaren: “Schiet op, pa komt zo thuis!”. Pa kwam elke middag om 12.00 uur thuis om te eten.
Boelie heeft goede herinneringen aan de melkfabriek. Daar vroeg ze wel eens om ‘hui-poeder’ (poeder gemaakt van wei. Wei is een vloeistof, die bij het kaasmaken ontstaat), dat in brokken van de lopende band kwam. “Mogen we een handje hui-poeder?” Of ze kregen lange stukken kaaskorsten. (Als de kazen uit de pers kwamen, werd de uitstekende rand, die door het persen was ontstaan, rondom weggesneden. Zo ontstonden deze lange kaaskorstrepen.)


De Ezinger Zuivelfabriek anno 1928(coll. onbekend)

Op zondag speelden ze vaak bij de melkfabriek. Dan draaiden ze rondjes op “het ding waar anders de melkbussen op onderste boven stonden uit te lekken”.


Een uitdrupapparaat voor melkbussen

Jo Reitsema uit Oldehove reed ‘s morgens en ’s avonds de melkbussen in een vrachtwagentje naar de fabriek. Boelie mocht dan ’s morgens wel eens met hem mee. Dan bleef ze bij opa en oma en ging ze ’ s avonds weer mee naar huis.

Boelie werd op haar twaalfde van school gehaald. Ze moest gaan werken als meid bij ‘de boer’, waar ze onder andere aardappelen schilde op de achterdeel, “achter de koeien, lekker warm”. Zij kreeg surrogaat koffie in het ‘stookhuuske’, terwijl Mevrouw binnen chocolademelk dronk. De boerin stelde Boelie eens op de proef, door een briefje van tien gulden half onder de mat te leggen, “even kijken, hoe eerlijk de dienstmeid is!” Ze verdiende 20 gulden en moest 10 gulden kostgeld aan haar ouders betalen. Boelie heeft tot aan haar trouwen als meid gewerkt. Toen ze als dienstmeid op de boerderij werkte, had ze één vrije middag; dan moest ze haar moeder helpen met de was.

Toen ze nog naar school ging moest ze ook altijd al meehelpen in het huishouden. Ze had een strenge opvoeding, wat ze deed moest goed gebeuren. Ze moest vroeg uit bed en meteen aan het werk in huis. Het kwam vaak voor, dat haar vriendinnen haar al kwamen ophalen om mee naar school te gaan, maar zij moest dan eerst haar werk afmaken. Zo moesten ze voor schooltijd ook wel eens met vader mee om aardappelen te poten. Ze hadden een stukje grond richting de ‘Ezinger Borg’. Daarnaast breide ze altijd sokken. Als ze een paar af had, werd haar een leesboekje beloofd. Dat was helemaal niet nodig, want mevrouw Homan vond het leuk om sokken te breien (ze breit nu nog altijd sokken!) en van lezen hield ze helemaal niet…..

Het was een heel andere tijd, waarin men bijvoorbeeld ook vaak last had van luizen en schurft. Toen het gezin van Dijk een keer schurft had, kwam de wijkverpleegkundige elke avond langs. Ze stonden dan allemaal op een kleed en werden van top tot teen ingesmeerd met bruin spul. Er was geen speelgoed….

Vader van Dijk hield van dieren. Zo liepen er ook geitjes of wat schapen. “Van alles wat.” In het washok had hij een duiventil gemaakt.


De uitgang van de duiventil - links boven het raam

Boelie had vriendinnen in Saaksum en in Ezinge. Als haar vriendinnen uit Saaksum vroegen, of ze mee naar de kerk ging, deed ze dat. Als haar vriendinnen uit Ezinge vroegen of ze mee ging naar de zondagschool, deed ze dat ook. Vond ze gezellig! Ze mocht niet in de kolk bij de boerderij van de gebroeders Steenhuisen zwemmen, omdat daar volgens haar ouders een draaikolk in zat en het daarom te gevaarlijk was. (Boerderij Heino Boer, Schoorsterweg 6).

Elke avond kreeg ze een lepel levertraan, heel vies! De man van Boelie vertelde, dat dit het verschil was tussen arm en minder arm. “Wij kregen na de lepel levertraan een schepje suiker, zodat het minder vies was. Daar hadden ze bij Boelie thuis geen geld voor”

Op Oldijk 1 woonden Ab van Dijk en tante Lien. Hij was een neef van haar vader en de kinderen kwamen daar graag. Als pa zaterdagmiddag thuis was, zaten ze allemaal aan tafel in de keuken en elke zaterdag weer gaf pa dan onder de tafel zijn loonzakje aan moe.

In de oorlogsjaren was het gezin alleen met moeder. Vader zat in Rotterdam, waarom dat was weet mevrouw Homan niet. Langs de weg stonden palen met telefoondraden. Boelie weet nog hoe de draden ‘zongen’ bij de harde wind.

De vader van Boelie heeft de bomen (wilgen) langs de sloot geplant. Er was toen geen schuur bij het huis.


De in 1985 geknotte wilgen langs de Oldijk (foto 2010)

In 1953 diende Sietse een aanvraag in voor het bouwen van een kippenhok.



Aan het huis vast (nu: werftkant) was een stuk afgezet waar de varkens zomers buiten konden lopen.

Er werden nog schepen getrokken in het Oldehoofsche kanaal voor ’t Veloatje langs, met turf als lading. Bekend zijn de schippers Zuidema en Davids.

De moeder van Boelie, Freerkje Zuidema zong in het Ezinger zangkoor. De dirigent was meester Vorenholt.


Het Ezinger zangkoor begin jaren ‘50 met Freerkje (zie rode pijl). coll fam Homan)

Zoals hierboven valt te lezen was ’t Veloatje eigendom van Siebe Oosterbeek, die dus in Duitsland woonde . Zijn stiefbroer Tienko Berend Hummel inde de huur.

Vader wou wat vertimmeren in het huisje, want het huis was een krot. Dit mocht niet en daarom besloot vader van Dijk om werk te zoeken bij een andere boer, zodat ze konden verhuizen. Zo vertrokken ze in 1954 naar een boerderij in Den Ham, waar net een nieuwe arbeiderswoning was gebouwd. Deze woning staat daar nog steeds (bij boerderij Noorderham, Lageweg 2).


Het gezin van Dijk met rechtsonder Boelie van Dijk (coll. fam. Homan)

Mevrouw Homan heeft een fijne man getrouwd en een fijn gezin gekregen. Haar eerste echtgenoot is overleden.


Boelie Homan-van Dijk en haar eerste echtgenoot vóór het gemeentehuis van Ezinge (trouwfoto) begin ‘60


Boelie Homan-van Dijk met haar tweede echtegenoot, die bij de interviews aanwezig was (foto 2011)